Wassenberghstraat 24


Elise Kaufmann-Wassermann

Geboren: 17 maart 1878, Frankfurt am Main, Duitsland
Weggevoerd naar Westerbork op 9 maart 1943
Vermoord: 20 maart 1943, Sobibor

Elise Wassermann trouwt op 7 maart 1904 met de koopman Siegmund Kaufmann.
Op 2 oktober 1905 bevalt ze van haar zoon Jakob Robert. Het echtpaar woont op verschillende adressen in Frankfurt.

Rond de jaarwisseling van 1937/38 vertrekken ze vanwege de Jodenvervolging in nazi-Duitsland naar Nederland. Hun zoon Jakob woont daar al in Amsterdam sinds 1934.
Waarom het echtpaar Kaufmann zich in Groningen vestigt is niet bekend. Mogelijk brengen zakelijke redenen hen naar Noord-Nederland. Op 29 mei 1941 verhuizen ze van het Zuiderpark naar het huis aan de Wassenberghstraat 24, waar dan al meerdere Duits-Joodse vluchtelingen wonen.

Op 9 maart 1943 wordt Elise met haar man naar Westerbork gedeporteerd. Net als haar man is zij ziek en belandt ze in de ziekenbarak. Ruim een week later, op 17 maart, volgt deportatie naar Sobibor, waar ze op de zelfde datum als haar man op 20 maart 1943 wordt vermoord.

 


Siegmund Kaufmann

Geboren: 18 mei 1878, Frankenstein (Rhein Pfalz), Duitsland
Weggevoerd naar Westerbork op 9 maart 1943
Vermoord: 20 maart 1943, Sobibor

Siegmund Kaufmann is van beroep koopman. Hij heeft een groothandel in Frankfurt. Omdat hij voor zijn zaak in Duitsland geen toekomst meer ziet, wijkt hij samen met zijn vrouw rond de jaarwisseling van 1937-1938 uit naar Nederland. Daar woont zijn enige zoon al sinds eind 1934 in Amsterdam. Hoe en waarom het echtpaar in Groningen terecht komen is niet bekend. Mogelijk dat zakelijke redenen hen naar het noorden van het land brengen.

Op 14 mei 1941 verhuist hij samen met zijn vrouw Elise Wassermann van het Zuiderpark naar de Wassenberghstraat 24. Het echtpaar wordt vanuit dit adres op 9 maart 1943 naar Westerbork gedeporteerd.

Beide echtelieden zijn op dat moment ziek, want zij worden beiden opgenomen in de ziekenbarak van het kamp. Kort daarna, op 17 maart, worden Siegmund en zijn vrouw Elise op transport gesteld naar het vernietigingskamp Sobibor, waar zij op 20 maart 1943 worden vermoord.

 


Fritz Richard Rosenthal

Geboren: 2 juni 1877, Berlijn, Duitsland
Weggevoerd naar Westerbork op 28 november 1942
Vermoord: 19 februari 1943, Auschwitz

Frits Rosenthal is in Berlijn makelaar van beroep. Hij moet dit beroep opgeven vanwege zijn Joodse achtergrond. Op 1 juli 1935 komt hij met zijn vrouw naar Nederland. Hij wordt in juli 1935 de eigenaar van Hotel Kiek aan het A-Kerkhof 10 ZZ, te Groningen.
Het gerenommeerde Hotel Kiek bestond al sedert het midden van de 19e eeuw. Het bood onderdak aan Joodse handelsreizigers, migranten en toeristen. Een van de gasten was de bekende Groninger schilder Jozef Israëls die hier in 1860 verbleef. Hij tekende het portret van de toenmalige eigenaar David Levie Kiek voor een kop koffie.

Als in Duitsland de situatie voor Joden steeds slechter wordt, besluiten velen van hen die het kunnen betalen om Duitsland te ontvluchten en naar veilig geachte landen uit te wijken. Zo doen dat ook twee latere bewoners van de Wassenberghstraat 24 de zusters Bertha Unger-Mugdan en Auguste Collin- Mugdan. Ook zij worden na omzwervingen gasten van hotel Kiek.

Als Nederland bezet wordt door de Nazi’s valt bijna direct het doek voor Hotel Kiek. Op 3 augustus 1940 doet Frits Rosenthal opgave bij de Kamer van Koophandel in Groningen dat zijn bedrijf per 31 juli 1940 is opgeheven.
Hij moet op 5 augustus 1940 samen met zijn vrouw en de inwonende vluchtelingen Bertha Unger- Mugdan en Auguste Collin- Mugdan gedwongen verhuizen naar het adres Wassenberghstraat 24 in Groningen.
Frits Rosenthal begint daar op 3 augustus 1940 een nieuwe onderneming onder de naam “F.R. Rosenthal”. Het lijkt een pension te zijn waar meerdere Duitse Joodse vluchtelingen wonen.

Fritz Rosenthal is een Duitse oorlogsveteraan uit de Eerste Wereldoorlog. Soms ontspringen Joodse veteranen de dans, maar dat is bij Fritz niet het geval.
Op 28 november 1942, wordt hij met zijn echtgenote gedeporteerd naar Westerbork.
Tweeënhalve maand later op 16 februari 1943, nadat zijn zoon Klaus al is gedeporteerd en vermoord, gaat hij zelf op transport naar Auschwitz. Op 19 februari 1943 wordt hij daar na aankomst op dezelfde datum als zijn echtgenote Charlotte omgebracht.

Net als andere joodse slachtoffers wordt Fritz Rosenthal niet alleen vermoord, maar ook beroofd. De onderneming “F.R. Rosenthal” wordt op 26 oktober 1943 door Omnia Treuhandgesellschaft m.b.H. als “Liquidationshändler” geliquideerd. 

 


Charlotte Rosenthal-Levit

Geboren: 17 december 1893, Dirschau (in toenmalig Duitsland), thans Tczew, Polen
Weggevoerd naar Westerbork op 28 november 1942
Vermoord: 19 februari 1943, Auschwitz

Er is niet veel bekend over haar leven en achtergrond. Bekend is wel, dat ze moeder is van twee kinderen: dochter Ursula Rosa, geboren in 1914, en een zoon Klaus Julius, geboren in 1921. Op 5 augustus 1940 komt ze samen met haar man te wonen aan de Wassenberghstraat 24.

Op 28 november 1942 wordt ze samen met haar man vanaf dit adres gedeporteerd naar Westerbork. Als ze daar aankomen is haar zoon Klaus al weggevoerd naar Auschwitz. Met haar man Fritz gaat ze op 16 februari 1943 zelf op transport naar Auschwitz. Daar wordt ze na aankomst op 19 februari 1943 om het leven gebracht.

 


Klaus Julius Rosenthal

Geboren: 19 november 1923, Berlijn, Duitsland
Weggevoerd naar Westerbork op 3 oktober 1942
Vermoord: 28 januari 1943, Auschwitz

Klaus Julius woont bij zijn ouders Fritz en Charlotte Rosenthal. Op 5 augustus 1940 verhuist hij met zijn ouders van A-Kerkhof 10 Zuidzijde naar de Wassenberghstraat 24.

Aan het begin van de oorlog is hij student werktuigbouwkunde aan de mts in Groningen, de voorganger van de huidige Hanze Hogeschool. Zijn naam is te vinden in het herdenkingsboek “Stenen, Namen, Portretten van de Hanze Hogeschool”.

Uit het politiearchief is op te maken dat hij een verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd, omdat hij wil emigreren.

Op 14 januari 1942 verklaart de hoofdcommissaris dat over “Klaus Julius Israel* Rosenthal geboren te Berlijn-Wilmersdorf, wonende Wassenberghstraat 24 alhier niets ten nadele van hem is gebleken uit de administratie alhier”.

Op 3 oktober 1942 wordt Klaus Julius bij de grote razzia in Groningen gedeporteerd. Op die datum wordt hij ingeschreven in Kamp Westerbork. Ongeveer twee weken later op, 19 oktober 1942, vertrekt hij met 1326 anderen naar Auschwitz. Aanvankelijk wordt hij daar geselecteerd voor dwangarbeid. Op 18 januari 1943 wordt er uit Auschwitz-Monowitz , een van de grote bij-kampen van Auschwitz, nog een levensteken van hem ontvangen.
Kort daarop, waarschijnlijk op 28 januari 1943, overlijdt hij, pas 19 jaar oud.

*De naam Israel is een zgn. dwangnaam die Joodse mensen in Duitsland op last van de Nazi’s aan hun voornamen moesten toevoegen.

 


Dina Rijnveld-Oppenheimer

Geboren: 18 april 1865, Schriesheim, nabij Karlsruhe, Duitsland
Weggevoerd naar Westerbork: 29 april 1943
Vermoord: 7 mei 1943, Sobibor

Dina Rijnveld-Oppenheimer, weduwe van Eliazer Rijnveld, woont sinds 12 maart 1942 aan de Wassenberghstraat 24. Haar zoon Leopold, op dat moment werkzaam aan het “Joodsch Lyceum” in Groningen, woont bij haar in.

Begin 1943 is Dina ziek en wordt opgenomen in het toenmalige Diaconessenziekenhuis in Groningen. Op 29 april 1943 wordt ze vanuit dit ziekenhuis gedeporteerd naar Westerbork.
Haar zoon Leopold is dan al in Sobibor om het leven gebracht.

Op 4 mei 1943 gaat zij zelf op transport naar Sobibor, waar ze na aankomst op 7 mei wordt vermoord.

 


Leopold Rijnveld

Leopold RijnveldGeboren: 15 April 1898, Rotterdam
Laatste adres: Wassenberghstraat 24, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork op 11 maart 1943
Vermoord: 26 maart 1943, Sobibor

Leopold Rijnveld wordt in Rotterdam als zoon van Eliazer Rijnveld en Dina Rijnveld-Oppenheimer geboren. Zijn ouders hebben een zaak in manufacturen.
Later verhuist de familie naar Hilversum. Na het overlijden van zijn vader wordt de zaak daar voortgezet door zijn moeder.

Leopold volgt in Hilversum van 1911 tot 1915 de HBS. Kennelijk is hij een gemotiveerde leerling, want bij de bevordering naar klas 2 en later naar klas 3 krijgt hij “lof voor ijver en belangstelling”.
Na afronding van de HBS doet hij in 1918 staatsexamen gymnasium. Dit is vereist om klassieke talen te kunnen studeren.
Deze studie doet hij aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1933 doctoraal examen doet. Later begint hij ook nog aan een proefschrift, dat hij echter door zijn deportatie niet kan afronden.
Na zijn studie wordt Leopold leraar klassieke talen en oude geschiedenis. Als de oorlog in mei 1940 uitbreekt werkt hij aan het gymnasium in Winschoten. Daarvoor is hij leraar aan het gymnasium in Hilversum.

Eind 1940 wordt hij net als alle andere Joodse leraren en ambtenaren ontslagen.
Na de oorlog herdenkt zijn collega in Winschoten H.H. Mallinckrodt hem: “Hij deed zijn werk met de ernstige accuratesse, die zijn wezen kenmerkte en met de blijmoedige zonnigheid, die de liefde voor het kind rond iemands wezen legt”.

Leopold Rijnveld woont samen met zijn moeder aan de Wassenberghstraat 24. Hij is erg gesteld op zijn oude moeder.
In september 1941 mogen Joodse kinderen op bevel van de bezetter niet meer naar hun school. Van dat moment moeten zij naar speciale Joodse scholen. Ook in Groningen worden dergelijke scholen voor lager en middelbaar onderwijs opgericht.
Vanaf de start in februari 1942 is Leopold Rijnveld verbonden aan het “Joodsch Lyceum” aan de Violenstraat in Groningen.
De school houdt op te bestaan in april 1943 als het Joden niet meer toegestaan is om in de provincie Groningen te wonen.

Leopold wordt op 11 maart 1943 gedeporteerd naar Westerbork en gaat kort daarna, op 23 maart op transport naar het vernietigingskamp Sobibor.
Drie dagen later op 26 maart 1943 wordt hij na aankomst in Sobibor om het leven gebracht.
Na de oorlog vindt een collega een brief van Leopold met daarin een treffende getuigenis: “maar uiteindelijk heeft Plato gelijk, dat het beter is onrecht te lijden, dan te doen”.

 


Bertha Unger-Mugdan

de zusters Mugdan

De zusters Bertha en Auguste Mugdan

Geboren: 7 mei 1875, Kempen/ Kepno (thans Polen)
Weggevoerd naar Westerbork op 28 november 1942
Vermoord: 13 maart 1943, Sobibor

Bertha is het oudste kind van Samuel Mugdan en Minna Schaul. Zij heeft twee zusters en een broer. Vader Mugdan heeft een kantoorboekhandel.
Zij trouwt met Sigwert (Samuel Philipp) Unger en krijgt een zoon Louis. In de jaren twintig woont ze met haar gezin in Hamburg. In 1938 overlijdt haar echtgenoot.

Na de machtsovername door Hitler in 1933 wordt het voor Joden steeds moeilijker om in Duitsland te leven. Zij besluit om naar het voorbeeld van meerdere familieleden, waaronder haar jongste zuster Julia en haar eigen zoon samen met haar jongere zuster Auguste die eveneens weduwe is, te emigreren naar een veiliger oord.
Met haar zuster Auguste scheept ze zich op 13 mei 1939 samen met 935 andere vluchtelingen in op de St. Louis om te ontkomen aan het nazigeweld in Duitsland. De reis verloopt dramatisch. Cuba, de Verenigde Staten en Canada laten de vluchtelingen niet toe, zodat het schip noodgedwongen koers moet zetten naar Europa. Na aankomst in Antwerpen krijgen de vluchtelingen asiel in Frankrijk, België, Groot-Brittannië en Nederland.
Op 3 juli 1939 schrijft H. Sieperda, Regeeringsgemachtigde inzake vluchtelingen aan ‘Het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen in Amsterdam’: ‘Hierbij deel ik U mede, dat krachtens machtiging van Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken de vluchtelinge Bertha Unger-Mugdan, geb. 7 mei 1875 die thans in Heyplaat verblijft, daaruit op 10 juli 1939 zal worden ontslagen, ten einde te worden opgenomen in het gezin van Hotel Kiek, te Groningen onder garantie van Uw Comité. Ik verzoek U genoemd gezin tijdig met deze beslissing in kennis te willen stellen en voor de uitvoering te willen zorg dragen.’ 

Het “gezin Hotel Kiek” blijkt het gezin van hotelhouder Fritz Richard Rosenthal te zijn. Deze voormalige Berlijner is sinds juli 1935 eigenaar van Hotel Kiek een toen in Groningen bekend hotel aan het A-Kerkhof.

Uit gegevens van de Kamer van Koophandel in Groningen blijkt dat Hotel Kiek, per 31 juli 1940 wordt opgeheven. Bertha verhuist op 5 augustus 1940 met de familie Rosenthal en haar zuster naar het adres Wassenberghstraat 24. Hier heeft Fritz Rosenthal een pension gevestigd waar ook andere Duits-Joodse vluchtelingen een kamer vinden.

Bertha en haar zuster proberen opnieuw te emigreren naar Amerika. Om makkelijker contacten te onderhouden om aan de benodigde reispapieren te komen dienen de zusters in 1941 een aanvraag in bij de Groningse politie om te mogen verhuizen naar Bussum.

De politie omschrijft de situatie als volgt “3 juli 1939 in Nederland gekomen met toestemming Min. v. Binnenl. Zaken onder garantie van het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen te Amsterdam. Beiden worden door familie in Amerika onderhouden”.

Het Hoofd van de politie in Groningen brengt op 8 augustus 1941 een welwillend advies uit “Aanvraagster gaat naar Amerika emigreren. Alle papieren zijn tot dusverre in orde gemaakt door het Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen te Amsterdam. Zij wil zich nu in Bussum vestigen voor het gemakkelijker onderhouden van het persoonlijk contact met Amsterdam om het visum voor Amerika en het doorreisvisum naar Portugal te krijgen, daar dit met oog op haar leeftijd vanuit Bussum gemakkelijker en goedkoper is.”

Helaas komt er geen toestemming. In een brief van de Groninger politie d.d. 20 oktober 1941 staat: ”Naar aanleiding van Uwe aanvrage om toestemming tot overbrenging van Uw domicilie naar Bussum, adres Pension “Herma” Isaac da Costalaan 16, deel ik u mede dat in verband met de nieuwe bepalingen der Duitsche overheid betreffende beperking van bewegingsvrijheid voor Joden, U zich met een dergelijk verzoek dient te wenden tot den Joodschen Raad te Amsterdam, die in dezen zijn bemiddeling verleent.”

Bertha en Auguste beginnen de hele procedure opnieuw, maar voordat zij antwoord hebben op dit nieuwe verzoek, wordt Bertha samen met haar zus op 28 november 1942 gedeporteerd naar Westerbork.

Enkele maanden later op 10 maart 1943 gaat ze samen met haar zuster Bertha op transport naar het vernietigingskamp Sobibor. Op 13 maart 1943 worden daar beide zusters vermoord.

 


Auguste Collin-Mugdan

Geboren: 22 februari 1878, Kempen/Kepno (thans Polen)
Weggevoerd naar Westerbork op 28 november 1942
Vermoord: 13 maart 1943, Sobibor

Auguste wordt geboren als het derde kind van Samuel Mugdan en Minna Schaul. Zij heeft een oudere zuster en broer en een jongere zuster. Vader Mugdan heeft een kantoorboekhandel. Zij trouwt met Jacques Collin en krijgt twee kinderen: Alfred en Harry. In de jaren twintig woont ze samen met haar gezin in Berlijn. In 1926 wordt zij weduwe.

Na de machtsovername door Hitler in 1933 wordt het voor Joden steeds moeilijker om in Duitsland te leven. Zij besluit om samen met haar oudste zuster Bertha te emigreren naar het voorbeeld van meerdere familieleden, waaronder haar beide zoons.

Auguste is met haar zuster passagier van het beruchte vluchtelingenschip de St. Louis. Dit schip maakt met bijna duizend Duits-Joodse vluchtelingen vanuit Hamburg een vergeefse reis langs Cuba, de Verenigde Staten en Canada. Nergens mogen de vluchtelingen aan land. Even dreigt het schip zelfs terug te moeten naar nazi-Duitsland, maar het komt het niet zover. De vluchtelingen mogen in Antwerpen van boord en ze krijgen asiel in Groot-Brittannië, Frankrijk, België of Nederland. Met haar zuster krijgt Auguste op 18 juni 1939 asiel in Nederland.

In juli 1939 vertrekt Auguste met haar zuster Bertha naar Groningen om intrek te nemen in het “gezin van Hotel Kiek”. Het “Comité voor Bijzondere Joodsche Belangen” in Amsterdam moet van de Nederlandse overheid garant staan voor haar.

Het “gezin Kiek” is het gezin van hotelhouder Fritz Richard Rosenthal. Sinds 1 juli 1935 is Rosenthal eigenaar van Hotel Kiek.

Na de bezetting van Nederland wordt Hotel Kiek per 31 juli 1940 opgeheven. Auguste verliest haar onderkomen, maar gelukkig komt zij niet op straat te staan. Zij gaat met haar zus op 5 augustus 1940 wonen in het pension van Rosenthal, dat hij vestigt op het adres Wassenberghstraat 24.

Auguste en haar zuster proberen opnieuw naar Amerika te emigreren. Zij dienen in 1941 een aanvraag in bij de Groninger politie om te mogen wonen in Bussum. Zo hopen ze gemakkelijker de contacten te onderhouden om aan de benodigde documenten te komen.

Helaas worden ze van het kastje naar de muur gestuurd. Er komt een brief terug van de Groninger politie op 20 oktober 1941: ”Naar aanleiding van Uwe aanvrage om toestemming tot overbrenging van Uw domicilie naar Bussum, adres Pension “Herma” Isaac da Costalaan 16, deel ik u mede dat in verband met de nieuwe bepalingen der Duitsche overheid betreffende beperking van bewegingsvrijheid voor Joden, U zich met een dergelijk verzoek dient te wenden tot den Joodschen Raad te Amsterdam, die in dezen zijn bemiddeling verleent.”

Auguste en Bertha beginnen de hele procedure opnieuw, maar de bureaucratie werkt onverbiddelijk traag. Voordat zij antwoord heeft, wordt Auguste op 28 november 1942 samen met haar zuster gedeporteerd naar Westerbork.

Enkele maanden later op 10 maart 1943 gaat ze samen met haar zuster Bertha op transport naar het vernietigingskamp Sobibor. Op 13 maart 1943 worden daar beide zusters vermoord.