Blekerstraat 24A


Eliazer Levie de Haan

Geboren: 25-7-1856 in Ezinge
Laatste woonadres: Blekerstraat 24a in Groningen
Gedeporteerd naar Westerbork: 12-10-1942
Vermoord: 9-11-1942 in Auschwitz

Het beroep van Eliazer de Haan is ‘vleeschhouwer’, zijn ouders zijn Levie Eliazer de Haan en Bruintje Meijer, zijn vader is ook ‘vleeschhouwer’.
In 1885, op 29 jarige leeftijd, trouwt hij in Slochteren met Tina Odewald. Zij is dan 25 jaar, ze is geboren in Schildwolde en van beroep ‘winkeliersche’.

Eliazer Levie de Haan en zijn vrouw Tina de Haan-Odewald

Het echtpaar verhuist een paar keer, hun oudere kinderen, Levie Eliazer en Heiman, worden geboren in Noordhorn, Heiman overlijdt na drie weken.
De meisjes Henriette en Bruintje worden eveneens geboren in Noordhorn en dochter Rientje wordt in 1898 in Groningen geboren. Eliazer staat sinds 1 mei 1915 ingeschreven als logementhouder/hotelhouder in de Folkingestraat 37. De handelsnaam is “Hôtel de Haan”, behalve hôtel is het ook café en restaurant.

Handtekening E.L. de Haan

In 1924 doet hij het hotel over aan de jongere broer van zijn vrouw, Philip Odewald, die “Hotel Odewald” tot 1935 beheert, het hotel is een jaar eerder naar de Stationsstraat 7 verhuisd.

Volgens het Handelsregister is in 1935 de eigenaar surseance van betaling verleend, waarna Philip Odewald uittreedt als eigenaar.

 

De vrouw van Eliazer,Tina, overlijdt in 1931 in Groningen op 71 jarige leeftijd.

Van september 1941, hij is dan al 85 jaar, tot april 1943 staat hij administratief ingeschreven op het adres Blekerstraat 24a, vanwaar hij wordt weggevoerd naar Auschwitz en vermoord op 9-11-1942.

Van hun vier kinderen overleven Levie Eliazer, Henrietta en Rientje de oorlog. 

 


Gertrud Teppich – Itzig

Geboren: 18-7-1885 in Berlijn, Duitsland
Laatste woonadres: Blekerstraat 24a in Groningen
Gedeporteerd naar Westerbork: 3/5-10-1942
Vermoord: 26-2-1943 omgeving Auschwitz

De ouders van Gertrud komen uit Polen, zij huwen in 1883. Haar vader is Isidor [Isaac] Itzig en hij is directeur van de Getreide-Makler-Bank, later koopman in Berlijn. Haar vader overlijdt in 1892, haar moeder Johanna Neustadt overlijdt in Berlijn. Gertrud is hun enig kind.

Gertrud is in 1908 gehuwd met Sigismund Rahmer, geboren in Gleiwitz. Hij is arts, armenarts en schrijver. Ook is hij een bekende von Kleist-kenner. Zij wonen in Berlijn en krijgen drie kinderen, zoon Bernd -Anselm en dochters Melanie en Gerda.
Sigismund overlijdt in 1912 in Berlijn, als Gertrud 27 jaar is.

Gertrud Itzig hertrouwt vijf jaar later met Richard Teppich, die 16 jaar ouder is. Hij is van beroep koopman en mede-eigenaar van een linnenweverij. Hij komt uit Braunsberg-Oost-Pruisen, Duitsland. Zij krijgen drie kinderen, allen jongens.
In de jaren dertig stuurt Gertrud haar oudere zoons al naar het buitenland.
Hun zoon Hans, geboren in 1917 in Berlijn, overleeft de oorlog en woont in Amerika [ John].
Hun tweede zoon heet Fritz [Friedrich] en is geboren in 1918, hij strijdt in de Spaanse burgeroorlog, waarna hij door Europa zwerft, na de oorlog is hij naar Berlijn teruggegaan. Hij beschrijft zijn gezin als welgesteld, liberaal en anti-zionistisch gezind.
Dochter Melanie is gehuwd met Gerhard Kempinski, die een bekende acteur wordt. Zij wonen evenals haar broer Bernd-Anselm in Engeland.
In 1923 krijgt Gertrud in Berlijn hun derde zoon Helmut Bernhard.
Het gezin is in 1938 vanuit Berlijn naar Den Haag gevlucht onder de dreiging van de nazi’s. Gertrud is dan al enige jaren weduwe.
Inspanningen om naar Londen te ontkomen lukken niet.
Helmut is hotelemployé van beroep. Hij is in 1944 van Westerbork weggevoerd naar Theresienstadt en op 16 mei 1944 naar Auschwitz gedeporteerd. Op 10 mei 1945 komt hij om in Midden-Europa, tijdens de zogenoemde ‘dodenmars’.

Gertrud heeft slechts kort in de Blekerstraat gewoond, ze is ingeschreven op 8-7-1942 en vijf maanden later naar Westerbork uitgeschreven. Van daar is ze op 23-2-1943 naar Auschwitz gedeporteerd en daar drie dagen later vermoord. 

 


Sallie Knorringa

Geboren: 4-2-1888, Uithuizen
Laatste adres: Blekerstraat 24a, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: 3/5 oktober 1942
Vermoord: 30-4-1944, Midden Europa

Sallie Knorringa is het derde kind en de eerste zoon van Mozes Knorringa en Helena Bendiks. Dezen krijgen samen vier kinderen, die allen in Uithuizen worden geboren.
Vader Knorringa is koopman en veehandelaar van beroep. Over het wel en wee van dit gezin en over de jeugd van Sallie is weinig bekend.
In 1936 (op respectievelijk 22-08-1936 en 15-10-1936) overlijden de ouders van Sallie in Groningen. Zij zijn dan 79 en 77 jaar oud.
Sallie is dan al hoog en breed getrouwd (19-08-1920) en heeft samen met zijn twaalf jaar jongere vrouw Jenetta Baruch twee kinderen: Anna Froukje (1922) en Martin Isidoor (1927). Anna Froukje wordt kantoormedewerkster en Martin Isidoor is dan loopjongen van beroep.

Links zittend op de 1e rij: Sallie Knorringa | Fotograaf onbekend, Groninger Archieven

Sallie is bij het begin van zijn huwelijk net als zijn vader veehandelaar. Als het gezin op 1 mei 1934 naar het adres Blekerstraat 24a verhuist, gaan Sallie en Jenetta ook kamers verhuren.
Bijna negen jaar later (07-04-1943) wordt het gezin administratief uitgeschreven naar Duitsland. Dit betekent dat Sallie, Jenetta en Anne Froukje via Westerbork, waar zij tijdens de grote razzia van 3-5 oktober 1942 aankomen, de dood in zijn gestuurd door de nazi’s.
Sallie komt om in Midden Europa. Jenetta en Anna Froukje komen op dezelfde dag (26 oktober 1942) in Auschwitz om. Alleen Martin Isidoor overleeft de oorlog.
Van het ouderlijk gezin van Sallie overleven alleen de jongste van zijn twee zusters en zijn broer Philip. 

 


Jenetta Knorringa – Baruch

Geboren: 5-10-1900, Nieuweschans
Laatste adres: Blekerstraat 24a, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: 3/5 oktober 1942
Vermoord: 26-10-1942, Auschwitz

Izaak Baruch uit Bellingwolde en Annegien Goldsmit uit Nieuwe Pekela trouwen op 24-05-1894 in Nieuwe Pekela. Izaak is slager en veehandelaar van beroep en zij vestigen zich in Nieuweschans.
Daar worden drie kinderen geboren: Abraham (1896), Heiman (1897) en Jenetta (1900). Heiman overlijdt nog geen twee maanden oud.
Over het verdere wel en wee van het gezin en de jeugd van Jenetta is niets bekend.
Zij trouwt op 19 -08-1920, nog geen 20 jaar oud, met Sallie Knorringa die in 1888 in Uithuizen is geboren. Sallie is net als zijn vader veehandelaar.
Jenetta en Sallie wonen eerst op het adres Aweg 34a, waar in 1922 dochter Anna Froukje wordt geboren. Na een volgende verhuizing woont het gezin acht jaar op het adres Hofstede de Grootkade 2, waar in 1927 zoon Martin Isidoor het levenslicht ziet.
Op 01-05-1934 verhuist het hele gezin naar Blekerstraat 24a. Daar gaan Sallie en Jenetta ook kamers verhuren. Het moet een druk gezin en bedrijf zijn geweest gezien de nodige mutaties op de woningkaart. Ook de jongste van de twee zusters van Sallie, Anna Frouke, komt in 1940 bij het gezin inwonen.
Op 07-04-1943 wordt een mutatie gemaakt op de woningkaart: het gezin wordt administratief uitgeschreven naar Duitsland. Na internering in Kamp Westerbork na de grote razzia van 2-5 oktober 1942 wordt Jenetta al op 23 oktober 1942 weggevoerd naar Auschwitz, waar zij op 26-10-1942 gelijk met haar dochter Anna Froukje wordt omgebracht. Sallie komt in Midden Europa om op 30-04-1944. Alleen zoon Martin Isidoor overleeft de oorlog.

Via een Poolse handelaar in Judaïca dook in 2007 het gebedenboek van Jenetta Baruch op. Zij moet dat bij zich gehad hebben, toen zij naar Auschwitz op transport is gesteld. Dit in het Nederlands voor vrouwen geschreven gebedenboek bevindt zich weer in het bezit van de directe nazaten van Jenetta Knorringa-Baruch. 

 


Anna Froukje Knorringa

Geboren: 26-9-1922, Groningen
Laatste adres: Blekerstraat 24a, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: 3/5 oktober 1942
Vermoord: 26-10-1942, Auschwitz

Anna Froukje Knorringa is het oudste kind en de enige dochter van Sallie Knorringa en Jenetta Baruch. Zij heeft een broer, Martin Isidoor, die ruim vier jaar jonger is dan zij.
Haar vader is een belangrijk deel van zijn leven veehandelaar net als haar beide grootvaders.
Het gezin verhuist meerdere malen in Groningen, nadat Anna Froukje’s ouders zich – na hun huwelijk in 1920 – in Groningen hebben gevestigd.
Anna Froukje ontwikkelt zich tot kantoormedewerkster. Waar zij heeft gewerkt en hoe het haar in haar jeugd is vergaan, is niet duidelijk geworden. Maar uit het archief van de Joodse turn- en atletiekvereniging Attila blijkt dat ze daar in ieder geval per 1 november 1937 lid van is geworden.
Het noodlot slaat toe, als zij met haar ouders wordt weggevoerd naar Westerbork. Samen met haar moeder wordt zij, 20 jaar jong, op 26-10-1942 in Auschwitz om het leven gebracht. Haar vader komt in 1944 in Midden Europa om het leven.
Van dit gezin overleeft alleen Martin Isidoor de oorlog.
Haar tante, zuster van haar vader, naar wie zij is vernoemd, overleeft de oorlog ook. 

 


Albert Leopold de Haas

Geboren: 1-8-1906 in Groningen
Laatste woonadres: Blekerstraat 24a in Groningen
Gedeporteerd: 1942 Kamp Amersfoort
Vermoord: 29-6-1942 in Mauthausen

Albert Leopold de Haas is een Groninger. Zijn vader Israel is in 1877 ook in Groningen geboren, hij is koopman van beroep. Zijn moeder Anna Salomon is afkomstig uit Duitsland, geboren in Elberfeld op 24-6-1880 en zij is in 1936 in Groningen gestorven.
Albert heeft een drie jaar jongere zuster Henriette, zij is geboren op 15-5-1909.
Henriette is volgens het Joods Monument (www.joodsmonument.nl) in 1929 verpleegster in het ziekenhuis in Leiden. Ook staat ze in 1929 in het bevolkingsregister als wonende te Eindhoven.
Albert is handelsreiziger.

Er is verder zo goed als niets bekend over het gezin van herkomst.

Albert huurt per 19 december 1940 een kamer in het huis van Sallie Knorringa op het adres Blekerstraat 24 a in Groningen. Daar wordt “hij (jood) op woensdag 15 april 1942 in de woning gearresteerd te omstreeks 20.00 uur in opdracht van den Befehlhaber der Sicherheitspolizei und des SD”1. Niet alleen hij, maar ook zijn verloofde, “Aagtje Perdok, (ariër), geboren den 13.October 1913, van beroep naaister”2, wordt gearresteerd. Dit gebeurt “in verband met het feit dat genoemde personen omstreeks het begin van de maand Januari 1942 in ondertrouw waren gegaan”. Zij hebben dan “ongeveer 8 jaar verkering”3. De dienstdoende agent doet navraag bij de Burgerlijke Stand en daar blijkt dat zij op 23 januari 1942 in ondertrouw zijn gegaan.

Sinds 27 maart 19424 is het verboden dat een jood en een ariër trouwen en uit de paspoorten van Albert en Aagtje blijkt zonneklaar dat hij een jood en zij een ariër is.
Zoals beschreven staat in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog wordt op 27 maart 1942 in Het Joodse Weekblad het volgende bekend gemaakt: “Naar ons door de betrokken Duitse autoriteiten wordt meegedeeld, is het aan Joden het huwen en de buitenechtelijke geslachtelijke omgang met niet-Joden verboden.” Daarnaast moesten “de Nederlandse ambtenaren van de burgerlijk stand voortaan alle gevallen waarin Joden met niet-Joden in ondertrouw gingen, dit aan de Sicherheitspolitzei melden.”

De Neurenbergse rassenwetten waren in Duitsland al sinds 1935 van kracht en toen al werd in Duitsland het huwelijk tussen een jood en een ariër verboden ”ter bescherming van Duits bloed en Duitse eer.”
Door de bezetter werd in Nederland het aanknopen van (seksuele) banden door joden met ariërs sinds 1941 zeer hoog opgenomen. Toen werden de Neurenbergse wetten als het ware sluipend in bezet Nederland ingevoerd. Tot een verbod kwam het zoals gemeld via een mededeling in Het Joodse Weekblad van 27 maart 1942. Joodse mannen die betrapt werden op zulke banden, werden wegens “Rassenschande” naar kamp Amersfoort gestuurd en van daaruit naar Mauthausen afgevoerd en Joodse vrouwen verdwenen naar concentratiekamp Ravensbrück.

Albert de Haas en Aagtje Perdok worden door de rapporteur van politie “ter beschikking gesteld van den Heer Commissaris van Politie te Groningen die deze personen voor bovengenoemde Dienststelle in verzekering heeft gesteld.”5

Albert doet in het eerste verhoor enige mededelingen over zijn situatie6: “Kort geleden kwamen wij te weten dat het niet meer mogelijk was [te trouwen] zulks in verband met het feit dat ik jood ben en mijn verloofde ariër. Wanneer het huwelijk tussen ons beiden was doorgegaan, had ik wel kans gezien in het onderhoud van mijn gezin te voorzien. Ik handel den laatsten tijd nogal in tweedehands goederen zooals meubelen, antieke voorwerpen, gouden horloges en dergelijke. Al deze goederen hebben tegenwoordig veel waarde, zodat er doorgaans best aan te verdienen valt.”7

Wat uit het eerste verhoor van Aagtje blijkt, is dat haar ouders zeer gekant zijn tegen het voorgenomen huwelijk van hun dochter met Albert de Haas en hun toestemming weigeren8. Aagtje weerstaat in eerste instantie het verbod van haar ouders door een rekest in te dienen bij de kantonrechter te Groningen en deze te vragen voor haar ouders vervangende toestemming te geven voor haar voorgenomen huwelijk met Albert de Haas. Maar als zij op 20 april 1942 voor de tweede maal verhoord wordt door de politie en een nacht in de arrestantenkamer heeft doorgebracht, verklaart zij: “Ik heb mij vanaf heden positief voorgenomen om geheel met hem te breken en zal met hem nimmermeer verkeering aanknopen.”9

Albert is niet alleen door de vermeende “Rassenschande” in Mauthausen terecht gekomen. In de rapportage van de politie te Groningen staat dat hij ook wegens “distr. overtreding”10 opgepakt is. Hoogst waarschijnlijk wordt hiermee bedoeld: de overtreding van de “distributieregelingsbeschikking”, wat kan wijzen op het feit dat hij ook van een economisch delict werd beschuldigd.

Uit de informatie – recent ontvangen uit Mauthausen – blijkt dat Albert vanuit Kamp Amersfoort op 21 juni 1942 in Mauthausen “eingeliefert wird.” Op 29 juni 1942 wordt hij „auf der Flucht erschossen“.

Wat betekent dit? Na de oorlog is aan het licht gekomen dat zeer veel gevangenen door de kampbewakers gedwongen werden om o.a. over de ketting te stappen die de grens van het kamp markeerde. Als zij dat doen, krijgen de kampbewakers een alibi om de gevangenen dood te schieten om het in scène gezette “vluchten“ te verhinderen.

Alberts zuster Henriëtte heeft de oorlog overleefd zoals blijkt uit een brief uit 1946 van Het Nederlandse Rode Kruis aan haar. Zij woont dan in Helmond. Het NRK deelt haar mee dat haar broer in Mauthausen is doodgeschoten.
In 1948 deelt het NRK nog aanvullend aan Henriëtte mee: “Het volgende, hierop betrekking hebbende stuk bevindt zich in het bezit van ondergetekende: een lijst door of op last van de Duitsers samengesteld, genaamd: “Personen die nach dem KL Mauthausen kamen.” Achter no. 348 van deze lijst komen de personalia van Albert Leopold de Haas voornoemd voor, waarbij vermeld staat: “29.6.42 im K.L. Mauthausen verstorben”

Vader Israel woont in de Anna Paulownastraat 33. Hij is in Auschwitz vermoord op 15-12-1942, een half jaar na zijn zoon.
Hij heeft twee broers en drie zussen. Van hun kinderen hebben enkelen de oorlog overleefd.
Zus Miena woont in de Anna Paulownastraat 6. Zij is gehuwd met Louis van Adelsbergen, hun dochter Sara [Cissy] trouwt met Isidoor van der Hal. Hij is arts en heeft de oorlog overleefd. Op hoge leeftijd heeft hij een boek over zijn oorlogsverleden geschreven met de titel ‘Het Mesje’.

———————————

1 Bron: Groninger Archieven, toegang 1692, inventarisnummer 820.
2 Ibid.
3 Ibid.
4 Zie hiervoor Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Lou de Jong, deel V, Staatsuitgeverij, ’s Gravenhage 1974, blz. 1022 t/m blz.1025.
5 Zie voetnoot 1.
6 Zie ook: De papieren oorlog, Johan van Gelder.
7 Zie voetnoot 1.
8 In die tijd is toestemming van de ouders nodig, totdat iemand 30 jaar is geworden.
9 Zie voetnoot 1.
10 Bron: Groninger Archieven, toegang 1692, inventarisnummer 197.

 


Benjamin de Vries

Geboren: 26-11-1919, Groningen
Laatste adres: Blekerstraat 24a, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: waarschijnlijk10 juli 1942
Vermoord: 30-09-1942, Auschwitz

Benjamin de Vries is de zoon van Siemon Henri de Vries (geboren in 1890) en Saartje Nijveen (geboren in 1894). Siemon de Vries is bij zijn huwelijk op 4 juni 1915 leerling- stoker bij de Staatsspoorwegen. Saartje is tot haar huwelijk dienstbode.
Het gezin de Vries- Nijveen woont op het adres Wipstraat 4 te Groningen waar in 1917 dochter Eva en in 1919 zoon Benjamin worden geboren. Over het wel en wee van het gezin en het opgroeien van de kinderen is niets bekend geworden. Wel is duidelijk geworden dat het gezin meerdere keren binnen de stad is verhuisd.
De situatie van het gezin verandert zeer, als op 24-05-1935 moeder Saartje Nijveen, net 41 jaar oud, overlijdt. Benjamin is dan 15 jaar oud.
Vader de Vries, die in deze jaren van beroep magazijnknecht is, hertrouwt op 25 februari 1937 met de twee jaar oudere Dientje Bas uit Amsterdam. Haar vader, Eliazer Bas, is diamantslijper. Zij gaan wonen op het adres Nieuwe Blekerstraat 44a in Groningen.
Al heel snel na het tweede huwelijk van zijn vader vertrekt Benjamin uit het ouderlijk huis. Hij gaat per 2 juni 1937 op het adres Lissabonsteeg 40 wonen. Hij is 18 jaar oud en pakhuisknecht van beroep. Na nog een verhuizing keert hij op 19 april 1938 weer terug naar de ouderlijke woning.
Op 15 december 1941 trouwt Benjamin in Hoogezand met de fabrieksarbeidster Saartje Bollegraaf. Zij wonen eerst in bij de ouders van Benjamin, maar verhuizen op 7 april 1942 naar het adres Blekerstraat 24a. Zij gaan inwonen bij het gezin Knorringa-Baruch.
Hun leven op dit adres is van erg korte duur. Begin juli 1942 worden de Joodse mannen uit Stad en Ommeland door het Gewestelijk Arbeidsbureau opgeroepen voor vertrek naar de werkkampen. Benjamin geeft net als bijna alle andere opgeroepen mannen, gerustgesteld door een toespraak van opperrabbijn Dasberg, gehoor aan de oproep. Hij wordt op 10 juli 1942 met de trein weggevoerd en behoort met 157 andere mannen tot de groep die op het station van Hooghalen moet uitstappen en te voet naar Westerbork moet lopen. Hij gaat met het eerste transport van 15 juli 1942 uit Westerbork naar Auschwitz. Hij dient met 80 van de 158 uit Groningen aangekomen mannen als “aanvulling” op het vastgestelde aantal mensen dat deel moet uitmaken van het eerste transport1. Op 30 september 1942 wordt Benjamin, ruim twee maanden vóór zijn vrouw, omgebracht in Auschwitz.
Ook Siemon en Dientje de Vries- Bas overleven de oorlog niet.
Eva trouwt op 27 juli 1936 met de 23-jarige Lude Kraak. Het is Ludes tweede huwelijk. Eva heeft een zoon, Garrelt Jan, die bij dit huwelijk wordt erkend door Lude Kraak. Dit gezin heeft de oorlog overleefd. Eva overlijdt in 1990 en Garrelt Jan in 2008.

Zie: De deportaties uit Nederland 1940-1945, portretten uit de archieven, Guus Luijters, Raymund Schütz en Marten Jongman, 2017, blz. 49- 54. En ook: Het eerste transport vanuit Westerbork- 15 juli 1942, uitgave Herinneringscentrum Kamp Westerbork, 2012. 

 


Saartje de Vries – Bollegraaf

Geboren: 02-02-1921, Slochteren
Laatste adres: Blekerstraat 24a, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: 28-11-1942
Vermoord: 11-12-1942, Auschwitz

Saartje Bollegraaf is afkomstig uit Slochteren. Haar ouders zijn Simon Bollegraaf (geboren 1892), van beroep handelaar in lompen en metalen, en Kaatje Simons (geboren 1895).
Saartje is de tweede dochter uit een gezin van zes kinderen. Zij heeft drie zusjes en twee broers.
Saartje wordt fabrieksarbeidster in een kartonnagefabriek. Hoe zij Benjamin de Vries, haar toekomstige man, heeft leren kennen, is niet duidelijk geworden.
Op 15 december 1941 trouwt Saartje – zij is dan 20 jaar – met Benjamin. Benjamin is pakhuisknecht van beroep.
Het jonge paar trekt in bij de ouders van Benjamin op het adres Nieuwe Blekerstraat 44 a in Groningen. Maar op 7 april 1942 verhuizen zij naar Blekerstraat 24a, waar zij een kamer huren bij het echtpaar Knorringa- Baruch.
Op 28 november 1942 komt Saartje aan in Westerbork. Haar man Benjamin is dan al sinds 10 juli 1942 van haar weggevoerd. Zij vindt in Westerbork haar moeder en de vijf andere kinderen Bollegraaf. Vader Bollegraaf wordt op dezelfde dag als zijn schoonzoon Benjamin de Vries vergast in Auschwitz (30 september 1942). Saartje, haar moeder en haar broers en zusjes volgen niet lang daarna: op 11 december 1942 vinden ook zij de dood in Auschwitz.