Jan Lutmastraat 14B


Gompel Dwinger

Geboren: 12 mei 1879 te Groningen
Laatste adres: Jan Lutmastraat 14b, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: najaar 1942
Vermoord: november 1942 te Auschwitz

Gompel is het vijfde kind van Salomon Dwinger en Rebekka (Betje) Levie, die in 1868 in Groningen zijn getrouwd. Als Gompel geboren wordt heeft hij twee zusjes Regina (geboren 1874) en Rieka (1877). In augustus 1873 waren de oudste twee kinderen, Marcus (1870) en Alexander (1873) beiden overleden. In 1882 wordt nog een zusje Grietje geboren, maar ook zij overlijdt vroeg, drie jaar oud.
Vader Dwinger is koopman. In 1879 vestigt hij het “Kleedingmagazijn De Middenstand”, sinds de jaren 1880 aan het Gedempte Zuiderdiep 53, een zaak die Gompel na het overlijden van zijn vader in 1910 zal voortzetten onder de naam “Heeren-, Jongeheeren en Kinderkleedingmagazijn De Middenstand. Firma S. Dwinger”. Er volgen nog verschillende naamswijzigingen.

Ook al treedt Gompel, in zijn jonge jaren ook wel Godfried, in de voetsporen van zijn vader, zijn hart ligt bij de muziek. Waar en bij wie hij klarinet leert spelen is onduidelijk, maar de vroegste vermelding van het beroep van Gompel is muzikant. Dat is bij zijn inschrijving in april 1903 in het alleenstaandenregister van Rotterdam. Hij komt dan uit Arnhem, waar hij vanaf februari 1899 inwoont in het gezin van Jacob Israel en Helena Wolff en hun dochter Sebilla, met wie hij zich in oktober 1901 verlooft. In Rotterdam woont Gompel bij de weduwe Van der Sluys, Eleonorastraat 49, maar niet voor lang, want in september 1903 keert hij terug naar Groningen.

Er gebeurt veel in 1903, want in oktober van dat jaar beginnen Salomon en Gompel Dwinger een vennootschap onder firma “S. Dwinger en Zoon” met als doel “handel in nieuwe en oude kleeren”. En in november treedt muzikant Gompel Dwinger in Arnhem in het huwelijk met de drie jaar oudere Sebilla Israel. De huwelijksakte meldt dat Gompel een certificaat van voldoening aan de nationale militie heeft overlegd. Tot april 1905 wonen Gompel en Sebilla in bij zijn ouders, dan verhuizen ze naar Rotterdam. Tot juni 1910 wonen ze achtereenvolgens in de Aegidiusstraat, Ammanstraat en de niet meer bestaande Van der Duijnstraat. In Rotterdam wordt 29 januari 1906 hun zoon Salomon geboren, op 30 juli 1907 gevolgd door hun dochter Helena. Het overlijden in mei 1910 van Gompels vader doet het gezin Dwinger-Israel in juni naar Groningen verhuizen. Een van de laatste dingen die Gompel nog doet in Rotterdam is het jureren van een muziekconcours voor leden van de jeugdvereniging “Het jonge Westen”.

 

Zuiderdiep 53/53a ontwerp van Van der Veen

Situatie september 2017

In Groningen neemt Gompel de firma “S. Dwinger en zoon” voortvarend ter hand. Hij laat op de plaats van de ouderlijke woning en winkel, Gedempte Zuiderdiep 53, door architect Ytzen van der Veen een nieuw winkelpand ontwerpen met woning en bovenwoning (53a).

Gompel adverteert regelmatig in het Nieuwsblad van het Noorden. In 1941 besluit Gompel zelf om de zaak op te heffen, hij wacht gedwongen opheffing door de bezetter niet af.

Er wordt veel gemusiceerd in huize Dwinger. Niet alleen blijft Gompel de klarinet bespelen, zoon Salomon (Sal) blijkt goed viool te kunnen spelen. In 1912, hij is dan zes jaar oud, gaat Sal naar Keulen om viool te studeren bij Bram Eldering, professor aan de Hochschule für Musik. Pas in 1927 voegt hij zich weer bij het gezin: vader, moeder, zuster Helena en grootmoeder Rebekka (Betje, ze overlijdt in 1931). Sal is dan net als zijn vader beroepsmusicus.

Gompel Dwinger staat in 1926 als tweede klarinettist in de lijst met orkestleden van de Groninger Orkest Vereeniging (G.O.V.). Uit het archief van de G.O.V. is niet op te maken wanneer hij er in dienst getreden is. In 1928 wordt op de gemeentelijke gezinskaart het beroep van Gompel gewijzigd in “musicus en winkelier”. Vader en zoon Dwinger treden ook wel samen op, bijvoorbeeld begin 1919 als Sal enige tijd terug is in Groningen voor zijn bar mitswa. Ze spelen dan op de jaarlijkse feestavond van “De Leeuw van Juda”, een vereniging van joodse jongens van 13 jaar en ouder met als doel de heilige boeken te bestuderen. Vanaf 1929 is ook Sal aan de G.O.V. verbonden, eerst bij de tweede violen en vanaf 1930 bij de eerste violen, op de stoel naast de concertmeester.

In maart 1933 portretteert Jan Gerrit Jordens, die tot de Groninger Kunstkring De Ploeg behoort, Gompel Dwinger. Jordens tekent op één blad de karikaturen van twaalf toonaangevende musici van de G.O.V., onder wie dirigent Kor Kuiler en concertmeester Emil Clemens Schröner. Hiernaast is in een uitsnede uit dit blad de karikatuur van Gompel Dwinger afgebeeld. Totdat op 15 mei 1941 de Joodse musici van de G.O.V op last van de bezetter worden ontslagen, werken Gompel en Sal Dwinger binnen de G.O.V. mee aan talrijke concerten.

In september 1942 trekken Gompel, Sebilla en Helena bij hun zoon Sal en diens echtgenote Bertha Dwinger-Salomons in. Ze zijn kort in Westerbork, van waar ze 16 oktober 1942 op transport gaan naar Auschwitz. Daar worden ze korte tijd later vermoord.

De pentekening met karikaturen van orkestleden van de G.O.V. bevindt zich in de Groninger Archieven, Toegang 1536, inv. nr. 2839. Voor het gehele blad, zie beeldbankgroningen.nl.

 


Sebilla Dwinger-Israel

Geboren: 23 juli 1876 te Arnhem
Laatste adres: Jan Lutmastraat 14b, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: najaar 1942
Vermoord: november 1942 te Auschwitz

Sebilla Israel is het zesde kind van Jacob Israel en Helena Wolff. In totaal worden in het gezin tussen 1865, het jaar waarin haar ouders trouwden, en 1888 zes jongens en vijf meisjes geboren. Twee jongens en een meisje overlijden voor hun derde levensjaar.
Vader Israel begint zijn loopbaan in de textiel als verver. Daarna is hij enkele jaren (hulp)agent van politie en als Sebilla geboren wordt, is hij al weer enkele jaren koopman. Het Arnhemse adresboek voegt daaraan vanaf 1878 toe dat hij een uitdragerij had. Sebilla verlooft zich in 1901 met de Groninger Godfried Dwinger. De voornaam Godfried voert hij een korte periode in zijn leven, in zijn geboorteakte heet hij Gompel, en zo wordt hij ook meestal genoemd. Gompel Dwinger woont van 1899 tot 1903 bij het gezin Israel in. Mogelijk is hij bij Sebilla’s vader in de leer, want die zit in dezelfde branche als zijn eigen vader.
Sebilla en Gompel trouwen in november 1903 in Arnhem, nadat Gompel een half jaar in Rotterdam en weer in Groningen heeft gewoond. Na haar huwelijk woont het paar in Groningen in bij Gompels ouders. In 1905 vertrekken ze naar Rotterdam, waar Gompel als musicus actief is. Daar worden twee kinderen geboren, in 1906 Sal, voluit Salomon, en in 1907 Helena.
Als in 1910 Gompels vader overleden is, verhuist Sebilla met haar man en kinderen terug naar Groningen. In een nieuw gebouwd winkel/woonhuis aan het Gedempte Zuiderdiep zet Gompel het “Heeren-, Jongeheeren en Kinderkleedingmagazijn De Middenstand, Firma S. Dwinger” van zijn vader voort. Daarnaast blijft hij klarinet spelen. Hij wordt aangesteld als tweede klarinettist van de Groninger Orkest Vereniging (G.O.V.). Ook zoon Sal is muzikaal. Hij gaat al jong naar Keulen om daar viool te studeren. Dochter Helena wordt kantoorbediende. Sal komt in 1927 terug naar Groningen en maakt naam als violist.
In 1941 besluit Gompel om zijn zaak op te heffen. Ook wordt hij, op last van de bezetter, in mei 1941 door de G.O.V. ontslagen. De Nederlandse orkesten mogen dan geen Joodse musici meer in dienst hebben. In september 1942 betrekken Sebilla, Gompel en hun dochter Helena het huis van hun zoon Sal, die dan al naar een werkkamp afgevoerd is. Sebilla, Gompel en Helena zijn kort in Westerbork, van waar ze 16 oktober 1942 naar Auschwitz gaan. Korte tijd later worden ze daar alle drie vermoord.

 


Salomon Dwinger

Geboren: 29 januari 1906 te Rotterdam
Laatste adres: Jan Lutmastraat 14b, Groningen
Werkkamp bij Staphorst: 10 juli 1942, naar Westerbork 3 oktober 1942.
Vermoord: februari/maart 1945 te Ellrich (Duitsland)

Salomon (Sal) Dwinger is tussen de twee wereldoorlogen een grote naam in het Groningse muziekleven. Zijn vader, klarinettist Gompel Dwinger, en hij spelen bij de Groninger Orkest Vereeniging (G.O.V.), en Sal treedt met zijn viool ook regelmatig als solist op.
Sal wordt in 1906 geboren in Rotterdam als zoon van “muzikant” Gompel Dwinger en Sebilla Israel, die in 1903 in Arnhem getrouwd waren. In 1907 krijgt Sal een zusje Helena.
Als in 1910 in Groningen Sals grootvader Salomon Dwinger overlijdt, verhuist het gezin Dwinger-Israel van Rotterdam naar Groningen. Gompel Dwinger zet daar het “Kleedingmagazijn De Middenstand” van zijn vader voort. Aan het Gedempte Zuiderdiep 53 laat Gompel een nieuw winkelpand annex woonhuis bouwen, waar het gezin gaat wonen. Het bovenhuis op 53a wordt verhuurd.
Sal, die zeer jong al vioolles krijgt van de concertmeester van de G.O.V. Emil Clemens Schröner, blijft niet lang in Groningen. In september 1912, hij is dan zes jaar oud, vertrekt hij naar Keulen, waar hij 15 jaar zal blijven om viool te studeren, onder meer bij de bekende docent aan de Hochschule für Musik Bram Eldering. In 1919 is Sal terug in Groningen voor zijn bar mitswa. Hij speelt dan samen met zijn vader duo’s voor viool en klarinet op de jaarlijkse feestavond van “De Leeuw van Juda”, een vereniging van joodse jongens van 13 jaar en ouder met als doel de heilige boeken te bestuderen. Sals vioolspel wordt in het Nieuw Israëlitisch Weekblad “innig goed” genoemd. Ook voor de jaarlijkse leerlingenuitvoeringen van de muziekschool, die geleid werd door Sals leraar Clemens Schröner, komt hij terug naar Groningen. Zijn repertoire breidt zich uit van een deel uit een Suite van Johan Halvorsen in 1917 tot een compleet vioolconcert van De Bériot in 1921, een jaar later gevolgd door de rol van eerste violist in een strijkkwartet van Tsjaikovski.
De volgende keren dat Sal in Groningen optreedt, is dat op het grote podium, als solist bij de G.O.V.. In april 1925 speelt hij het vioolconcert in G van H. Goetz (“de violist speelde buitengewoon verdienstelijk; een enkele kleine onzuiverheid was waarschijnlijk aan het zakken van een snaar te wijten.”) en in januari 1926 het concert in g van Max Bruch. Als hij zich in juli 1927 weer in Groningen vestigt en bij zijn ouders intrekt, heeft hij zijn sporen al verdiend. Een dynamische carrière in de muziek volgt. De basis is zijn aanstelling bij de G.O.V., in september 1927 voor een korte periode, in oktober 1929 bij de tweede violen en vanaf september 1930 bij de eeste violen, waar hij naast zijn leraar Clemens Schröner op de eerste rij zit. Daarnaast speelt hij als solist vioolconcerten, hij speelt met pianist Roelof Pieter Jan (Roel) Hazenberg werken voor viool en piano, vaak als onderdeel van een recital waarin ze een zangeres begeleiden. Dit ensemble, met wisselende zangeressen onder wie Jo Vincent, is tussen 1927 en 1936 in binnen- en buitenland veel gevraagd. Sal heeft daarnaast een eigen lespraktijk volgens de ‘methode Prof. Bram Eldering’ en is vanaf 1930 leraar aan de muziekschool in Assen, waar hij ook de strijkersklas leidt.
Sal Dwinger trouwt op 16 augustus 1933 met Bertha Salomons, die net als zijn moeder uit Arnhem afkomstig is en daar tot haar huwelijk bij de Algemeene Kunstzijde Unie werkt. Later wordt ze gediplomeerd pedicure. Sal en Bertha gaan op hun trouwdag wonen op het adres Jan Lutmastraat 8. In 1936 verhuist het echtpaar Dwinger-Salomons in dezelfde straat naar nummer 14b. Het echtpaar krijgt geen kinderen.
In de oorlog verbiedt de bezetter in mei 1941 de Nederlandse orkesten om joodse musici in dienst te hebben. Op 15 mei 1941 ontslaat de G.O.V. daarom zowel Sal als zijn vader Gompel Dwinger. Het laatste optreden van vader en zoon bij de G.O.V. was in februari 1941 geweest. Sal had tijdens dat concert het vioolconcert in D van Brahms gespeeld. Daarna gaf hij in maart 1941 nog een recital met de bekende Groningse pianiste Andrea Elkenbracht.
Uit een brief die Andries Davids 12 juli 1942 aan een collega schrijft weten we dat Davids en Sal Dwinger deel uitmaken van een groep Groningse mannen die op 10 juli 1942 per trein uit Groningen naar werkkamp Het Wijde Gat bij Staphorst worden gebracht. Davids schrijft onder meer: “Ik woon o.a. met de pianoleraar van Esther, een zeer bekend violist Sal Dwinger (viool meegebracht) en een Mr. in de rechten Leo Frank, …”. De mannen moeten zes dagen per week zwaar graafwerk doen. Op 2 oktober 1942 wordt de bevolking van het kamp te voet naar Westerbork overgebracht. Het laatste optreden in Nederland van Sal Dwinger is waarschijnlijk op 10 augustus 1943 in Westerbork. Philip Mechanicus schrijft erover in zijn dagboek In dépôt. Sal speelt “Improvisation für Violine ‘Baal-Schem’ van Ernest Bloch”. Een brief, die 8 september 1943 aan Sal Dwinger in Westerbork gestuurd wordt, bereikt hem niet meer, want op 14 september 1943 gaan Sal en Bertha Dwinger – Salomons op transport naar Auschwitz. Ze komen terecht in kamp Auschwitz III, ook Monowitz genoemd, waar de gevangenen voor IG Farben werken. Sal heeft zijn viool bij zich, hij speelt in het gevangenenorkest van Monowitz. Een trompettist uit het orkest die Auschwitz overleefd heeft, Herman Sachnowitz uit Noorwegen, vertelt hoe Sal een concert geeft in de kantine van de S.S., het zal in de tweede helft van 1944 zijn geweest. Bij sommige stukken wordt hij begeleid door een Poolse pianist, bij andere door een vijftig-koppig orkest. Een van de stukken is Beethovens Kreutzer-sonate. Aan het begin van het laatste deel knapt een snaar van zijn viool, maar Sal speelt het stuk uit zonder de snaar te vervangen, een weergaloze prestatie volgens Sachnowitz. Er is geen applaus, want voor de vijanden van het Duitse Rijk wordt er door de S.S.ers niet geklapt. Na afloop komt Schöttel, de commandant, naar Sal toe en maakt een praatje met hem. Hij vraagt aan Sal of hij het goed gezien heeft dat Sal het stuk uitspeelde met een gesprongen snaar. Sachnowitz beschrijft het vervolg zo:

“Dat is juist,” antwoordde Dwinger. “Dat is wat we in het leven hebben moeten leren. Als we niet meer over alle snaren beschikken, moeten we spelen op de paar die nog over zijn.”
Er ging een huivering door het hele orkest. (…) Voor ons waren Dwingers moedige woorden gedenkwaardiger dan het hele optreden.

Uit het relaas van Sachnowitz valt op te maken dat op 18 januari 1945 de gevangenen door de Nazi’s het kamp uit gedirigeerd worden, zogenaamd om ze tegen de oprukkende Russen te beschermen. Na een dagmars van 80 kilometer, die velen niet overleven, gaan de gevangen op de trein, door Tsjecho-Slowakije en Oostenrijk naar Duitsland, een reis van tien dagen. Er is nagenoeg geen eten, niets te drinken en de kleding schiet tekort. De treinreis eindigt op een station bij Nordhausen in de Harz, van waar de gevangenen naar het kamp Dora moeten lopen. Nog steeds is een groep orkestleden, onder wie Sal Dwinger, bij elkaar. Maar dan, vertelt Sachnowitz, worden ze verdeeld over verschillende onderdelen van het grote industrële complex Dora. Sal Dwinger gaat aan de erbarmelijke omstandigheden ten onder, in Ellrich, waar twee vestigingen van Dora zijn. Bertha Dwinger-Salomons komt levend terug naar Nederland. Na een jaar in de Jan Lutmatstraat, waar ze een kamer huurt bij haar vroegere buurman, verhuist ze naar Amsterdam.

 


Helena Dwinger

Geboren: 30 juli 1907 te Rotterdam
Laatste adres: Jan Lutmastraat 14b, Groningen
Weggevoerd naar Westerbork: najaar 1942
Vermoord: november 1942 te Auschwitz

Helena wordt in 1907 geboren in Rotterdam als dochter van muzikant Gompel Dwinger en Sebilla Israel, die in 1903 in Arnhem getrouwd waren. Helena heeft een broer Sal, of voluit Salomon, die een jaar ouder is dan zij. Als in 1910 in Groningen Helena’s grootvader Salomon Dwinger overlijdt, verhuist het gezin Dwinger-Israel van Rotterdam naar Groningen. Gompel Dwinger zet daar het “Kleedingmagazijn De Middenstand” van zijn vader voort. In oktober 1903 hadden Salomon Sr. en Gompel Dwinger dat al voorzien door samen een vennootschap onder firma op te richten met als doel “handel in nieuwe en oude kleeren”. Aan het Gedempte Zuiderdiep 53 laat Gompel een nieuw winkelpand annex woonhuis bouwen, waar het gezin gaat wonen. Het bovenhuis op 53a wordt verhuurd. Helena is lange tijd het enige kind in huis omdat haar broer tot 1927 veel in Keulen is voor zijn muziekstudie.
Helena wordt kantoobediende. Ze is vanaf 1932 een tijd verloofd met een jongeman uit Emmen maar de verloving leidt niet tot een huwelijk. Haar verloofde trouwt in 1935 met een ander.
In 1941 besluit Helena’s vader zelf om zijn zaak op te heffen, hij wacht gedwongen opheffing door de bezetter niet af. Een jaar later trekken Helena en haar ouders in bij hun broer en zoon Sal en diens echtgenote Bertha Dwinger-Salomons. Ze zijn kort in Westerbork, van waar ze 16 oktober 1942 op transport gaan naar Auschwitz. Daar worden ze korte tijd later vermoord.