H.W. Mesdagstraat 3


Oswald Friedländer

Geboren: 05-02-1881, Weiss-Podol, Oostenrijk-Hongarije, tegenwoordig Bílé Podoli bij Kutná Hora, Tsjechië
Laatste adres: H.W. Mesdagstraat 3, Groningen
Weggevoerd naar Vught/Westerbork: 09-04-1943/09-05-1943
Vermoord: Auschwitz 18-10-1944

Oswald wordt geboren als vierde kind van Jacob/Leopold Friedländer en Katharina Breth. Hij heeft twee broers en twee zusters. Zijn vader overlijdt in 1895 in Wenen als Oswald 14 jaar is. Daar overlijdt ook zijn oudste zuster Hermine in 1900. Over zijn gezin van herkomst en zijn opgroeien is verder niets bekend geworden, behalve dat Oswalds jongste broer Gustav scheikundig ingenieur wordt.

In 1910 treedt Oswald uit de Joodse gemeente zoals blijkt uit het boek ‘ “…meldet den Austritt aus dem mosaischen Glauben”, 18.000 Austritte aus dem Judentum in Wien 1868-1914’.

Hij ontmoet Natalie Friedmann die op 28 september 1885 in Wenen is geboren. Ze trouwen in Sint Petersburg, waar in mei 1913 hun dochter Alice het levenslicht ziet. Later wordt nog een tweede dochter, Edith, geboren.

Het echtpaar keert terug naar Wenen en woont vanaf 1922 aan de Wallrissstrasse 123. Oswald wordt eerst beambte en vanaf 1926 is hij koopman/ vertegenwoordiger bij de firma Mortitz Kalmus und Neffen in Wenen.

Oswald is vanaf 1929 ingeschreven als fabrikant van Lumina Sicherheitsglas. Dit is in Wenen een goedlopend bedrijf, waar hij volgens een door hem uitgevonden procedé splintervrije brillenglazen, zgn. Triplexglazen, maakt voor o.a. de firma “Focus” te Middelburg. Dit bedrijf is gevestigd op het adres Lange Burg 19-23 en maakt “veiligheidsbrillen voor de Industrie”.

De firmant, A.R. de Muynck, spant zich bijzonder in om Oswald en zijn gezin naar Middelburg te halen, als de Anschluss van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland een feit is en de situatie voor Joodse mensen daar steeds nijpender wordt. De Muynk beschrijft de situatie in een brief d.d. 25 november 1938 aan de Minister van Justitie als volgt:

“… Een geruim aantal jaren (in een andere brief wordt gesproken over “meer dan een tiental jaren”) worden door ons van een firma uit Weenen betrokken een speciaal soort veiligheidsglazen voor werkbrillen, zgn. splintervrije glazen. Deze veiligheidsglazen, welke door ons in de handel worden gebracht onder de naam “Trifo”-glazen, worden door de groote industriën, als Staatsmijnen, Oranje-Nassaumijnen, Hoogovens, Gebr. Stork en vele anderen regelmatig in betrekkelijk groote hoeveelheden in de door ons gefabriceerde veiligheidsbrillen gekocht. (…) De fabrikant van deze glazen, waarvan de bewerkingsmethode zijn eigendom is, is een Jood en wordt door de huidige maatregelen tegen de Joden in Duitschland zoodanig bemoeilijkt dat het hem niet mogelijk zal zijn verder te werken. Hierdoor zouden onze leveringen en afwerking van onze orders zeer kunnen worden belemmerd.
Wij wenden ons daarom tot Uwe Excellentie met het verzoek te willen bevorderen dat genoemde fabrikant met zijn gezin (man, vrouw en dochter) in Nederland zal worden toegelaten als werknemer van onze onderneming. Hij zal dan in ons bedrijf zijn werkmethode kunnen toepassen en zullen wij ongestoord onze leverantie’s doorgang kunnen doen vinden.
Wij zijn van meening dat indien door ons bedrijf deze veiligheidsglazen zullen worden gemaakt, bij de zeker te verwachten steeds stijgende toename van het gebruik van dit soort glazen een verruiming van werk door Nederlandsche arbeiders mogelijk zal zijn, temeer daar deze glazen elders in het land niet worden gemaakt.”

Aan Oswald worden begin 1939 de nodige vergunningen verleend, maar nog niet aan Natalie en aan dochter Alice, omdat men eerst de levensvatbaarheid van de productie van Oswald wil bekijken. De heer De Muynck klimt op 1 augustus 1939 weer in de pen en beschrijft dat Oswald sinds eind mei 1939 “bedrijfsleider is geworden van de afdeling Trifo.” Tevens wordt genoemd dat Oswald een deel van zijn eigen cliënten heeft weten te behouden voor de firma de Muynck, “zoodat wij nu een artikel exporteren, dat wij vroeger importeren moesten.”

Oswald dreigt ziek te worden en niet meer te kunnen werken, als zijn vrouw er niet is en dat maakt – samen met een positief onderzoek over de levensvatbaarheid van het bedrijf en de toegenomen werkgelegenheid van Nederlandse arbeiders (zes zijn er door hem ingewijd in het productieproces) – dat ook een verblijfsvergunning aan Natalie en Alice wordt gegeven gekoppeld aan de arbeidsvergunning van Oswald.

Begin 1940 vestigt het gezin zich op het adres Loskade 5 in Middelburg. In het politiedossier van Groningen staat, “dat zij echter al spoedig uit Middelburg worden verdreven, omdat het na 9 september 1940 niet langer aan niet-arische vluchtelingen (zij hebben de Duitse nationaliteit) is toegestaan dat zij in de kuststreek wonen”. Na een zeer kortstondig verblijf in Den Haag melden zij zich bij de politie in Groningen op 12 september 1940 en staan vanaf oktober 1940 ingeschreven op het adres Turfsingel 31A in Groningen. De woningkaart maakt melding van twee personen, maar ook Alice is op dit adres ingeschreven. Na enkele maanden verhuizen Oswald en Natalie naar de H. W. Mesdagstraat 3. Alice vestigt zich op het adres Zuiderdiep 38 in Groningen.

Samen worden Oswald en Natalie in juli 1943 vanuit hun woning weggevoerd naar Vught en spoedig daarna naar Westerbork. Zij worden in september 1944 op transport gesteld naar Theresienstadt. Op 16 oktober 1944 worden zij vervoerd naar Auschwitz en daar na aankomst omgebracht.

Alice overleeft de oorlog. Zij overlijdt in 1979. Ook Edith overleeft de oorlog.

 


Natalie Lily Friedländer-Friedmann

Geboren: 28-09-1883, Wenen
Laatste adres: H. W. Mesdagstraat 3, Groningen
Weggevoerd naar Vught/Westerbork: 09-04-1943/09-05-1943
Vermoord: Auschwitz 18-10-1944

Natalie is enig kind van het echtpaar Alfred Friedmann (geboren in Budapest) en Pauline Freund. Over het gezin van herkomst en haar jeugd is niets bekend geworden. Wel wordt Natalie’s naam vermeld in het boek ‘ “…meldet den Austritt aus dem mosaischen Glauben”, 18.000 Austritte aus dem Judentum in Wien 1868-1914’. Als jaar van Natalie’s uittreden wordt 1912 opgegeven; zij heeft dan geen beroep.

Natalie ontmoet Oswald Friedländer die op 05-02-1881 in Weiss-Podol (voormalig Oostenrijk-Hongarije; thans Tsjechië) is geboren. Zij trouwt met hem in Sint Petersburg waar in mei 1913 hun dochter Alice het levenslicht ziet. Later wordt nog een tweede dochter, Edith, geboren.

Het echtpaar keert terug in Wenen en woont vanaf 1922 aan de Wallrissstrasse 123. Oswald ontwikkelt zich tot fabrikant van splintervrije glazen en bouwt ook in Nederland een klantenkring op. Hij levert in elk geval sinds 1929 glazen aan de Middelburgse firma “Focus” van eigenaar A. R. de Muynck. Dit bedrijf maakt veiligheidsbrillen voor de industrie.
Genoemde firmant spant zich bijzonder in om Oswald en zijn gezin naar Middelburg te halen, als de Anschluss van Oostenrijk bij Nazi-Duitsland een feit is en de situatie voor Joodse mensen daar steeds nijpender wordt. Het lukt hem om voor Oswald de nodige vergunningen te verkrijgen, maar dit geldt niet voor Natalie en voor dochter Alice. Hun verblijfsvergunning wordt door de Nederlandse overheid afhankelijk gesteld van de levensvatbaarheid van het werk dat Oswald binnen het bedrijf gaat uitvoeren. Ook wordt nauwlettend gekeken of hij geen Nederlandse arbeiders zal gaan verdringen.

Oswald dreigt ziek te worden als zijn vrouw niet bij hem is en opnieuw treedt de heer De Muynck voor hem in het krijt en schrijft op 24 april 1939 aan de Minister van Justitie:

“(..) Deze Friedländer, welke te Weenen het vak uitoefende van fabrikant van veiligheidsglazen (zgn. Triplexglazen) heeft onder zijn leiding een in ons bedrijf nieuw gestichte afdeeling voor het zelf fabriceeren van splintervrije glazen, volgens een door hem uitgevonden werkmethode, naar welke speciale wijze deze glazen worden vervaardigd. Friedländer heeft in Weenen zijn vrouw achter moeten laten. Deze vrouw was hem vroeger in zijn bedrijf behulpzaam bij het samenstellen van voor zijn procedé noodige recepten.
Zijn vrouw is nu in Weenen zonder middel van bestaan en omdat haar man in het buitenland toeft ten prooi aan vele moeilijkheden, dit bemoeilijkt het werk van Friedländer te onzent ten zeerste.”

Natalie is samen met haar dochter ondertussen in juli 1939 naar België gereisd, waar zij een voorlopige vergunning tot verblijf heeft voor 4 weken. Zij getroost zich zeer veel inspanning om met Alice in Nederland toegelaten te worden. Gekoppeld aan de werk- en verblijfsvergunning van Oswald lukt dit. Wel moeten zij een verklaring van de Belgische autoriteiten overleggen dat dit land haar zal terugnemen, als zij uit Nederland zouden worden uitgewezen. Uit een brief (d.d. 13 februari 1940) van het parket van de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te Den Haag aan de Minister van Justitie blijkt dan het volgende:

“… betreffende den vreemdeling Oswald Friedländer en gezin welke aangelegenheid ik meen als afgedaan te mogen beschouwen, na ontvangst van de medeedeling van den Commissaris van Politie te Middelburg, dat hem door den Rijksvreemdelingendienst was bericht, dat Alice Friedländer geen verklaring behoefde over te leggen dat zij na afloop van haar verblijf hier te lande naar België kon vertrekken, daar zij niet langer in Nederland zou verblijven, dan noodig was om zoo spoedig mogelijk naar Engeland of Amerika te emigreren.”

Begin 1940 vestigt het gezin zich op het adres Loskade 5 in Middelburg. Zij worden echter al spoedig uit Middelburg verdreven, omdat het na 9 september 1940 niet langer is toegestaan aan niet-arische vluchtelingen dat zij in de kuststreek wonen. Na een zeer kortstondig verblijf in Den Haag melden zij zich op 12 september 1940 bij de politie in Groningen en vanaf oktober 1940 staan Oswald en Natalie in Groningen ingeschreven op het adres Turfsingel 31A. De woningkaart van dit adres maakt melding van twee ingeschreven personen, maar ook Alice is op dit adres ingeschreven.

Na enkele maanden verhuizen Oswald en Natalie naar de H. W. Mesdagstraat 3. Alice verhuist naar het adres Zuiderdiep 38 in Groningen.

Oswald en Natalie worden samen in juli 1943 vanuit hun woning weggevoerd naar Vught en spoedig daarna naar Westerbork. Zij worden in september 1944 op transport gesteld naar Theresienstadt. Op 16 oktober 1944 worden zij vervoerd naar Auschwitz en daar na aankomst omgebracht.

Alice overleeft de oorlog. Zij overlijdt in 1979. Ook Edith overleeft de oorlog.